ECLI:NL:CRVB:2015:2827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs onrechtmatigheid
Appellante was sinds 2001 arbeidsongeschikt door psychische klachten en ontving vanaf 27 februari 2009 een WIA-uitkering. Het UWV trok deze uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, stellende dat appellante onjuiste informatie had verstrekt en haar inlichtingenverplichting had geschonden. Tevens legde het UWV een boete op wegens deze schending.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de intrekking, terugvordering en boete. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onzorgvuldig was en dat haar beperkingen per 27 februari 2009 ernstig werden onderschat. Zij ontkende onjuiste informatie te hebben gegeven.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitkering ten onrechte was toegekend. Het rapport van psychiater Van Laarhoven, waarop het UWV zich baseerde, was onvoldoende gemotiveerd en strookte niet met medische gegevens van de huisarts. Ook was niet duidelijk hoe beperkingen per 27 februari 2009 waren vastgesteld. Hierdoor ontbrak de grondslag voor intrekking en terugvordering met terugwerkende kracht. De boete werd eveneens vernietigd. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en kosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering en de opgelegde boete worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatigheid.