Uitspraak
8 april 2013, 12/4039 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante verzocht het UWV om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster en om toezending van het besluit aan haar gemachtigde. Het UWV stuurde het besluit op 3 april 2012 aan appellante en de werkneemster, maar niet aan de gemachtigde. Pas op 4 juli 2012 werd het besluit aan de gemachtigde verzonden.
Appellante stelde het UWV in gebreke en vorderde een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen en het niet toezenden aan de gemachtigde. Het UWV stelde dat de dwangsom alleen verschuldigd was tot 3 april 2012, de datum waarop het besluit aan appellante werd verzonden. De rechtbank oordeelde dat het besluit tijdig was genomen en dat het niet toezenden aan de gemachtigde niet leidde tot een dwangsom.
In hoger beroep betoogde appellante dat het besluit pas op juiste wijze was bekendgemaakt toen het ook aan de gemachtigde was verzonden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de dwangsomregeling ziet op het stimuleren van tijdige besluitvorming en dat verzending aan appellante voldoende is om het besluit als gegeven te beschouwen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV na verzending van het besluit aan appellante niet langer een dwangsom verschuldigd is.