Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:1296

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2015
Publicatiedatum
22 april 2015
Zaaknummer
13-2736 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 3:41 AwbArt. 4:17 AwbArt. 101 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dwangsomregeling bij niet tijdig beslissen door UWV

Appellante verzocht het UWV om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster en om toezending van het besluit aan haar gemachtigde. Het UWV stuurde het besluit op 3 april 2012 aan appellante en de werkneemster, maar niet aan de gemachtigde. Pas op 4 juli 2012 werd het besluit aan de gemachtigde verzonden.

Appellante stelde het UWV in gebreke en vorderde een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen en het niet toezenden aan de gemachtigde. Het UWV stelde dat de dwangsom alleen verschuldigd was tot 3 april 2012, de datum waarop het besluit aan appellante werd verzonden. De rechtbank oordeelde dat het besluit tijdig was genomen en dat het niet toezenden aan de gemachtigde niet leidde tot een dwangsom.

In hoger beroep betoogde appellante dat het besluit pas op juiste wijze was bekendgemaakt toen het ook aan de gemachtigde was verzonden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de dwangsomregeling ziet op het stimuleren van tijdige besluitvorming en dat verzending aan appellante voldoende is om het besluit als gegeven te beschouwen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV na verzending van het besluit aan appellante niet langer een dwangsom verschuldigd is.

Uitspraak

13/2736 WIA
Datum uitspraak: 15 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
8 april 2013, 12/4039 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante]te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft bij brief van 2 januari 2012 verzocht om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van [werkneemster] (werkneemster) en om het besluit op deze aanvraag aan haar gemachtigde te zenden.
1.2.
Bij brief van 28 februari 2012 heeft appellante het Uwv op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in gebreke gesteld onder verwijzing naar de uit artikel 101 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) voortvloeiende beslistermijn van acht weken. Tevens heeft zij verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit aan haar gemachtigde te zenden en, bij gebreke daarvan, de hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, tweede lid, van de Awb vast te stellen en te betalen.
1.3.
Bij besluit van 3 april 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat werkneemster vanaf 29 januari 2013 geen WGA-uitkering meer krijgt, omdat zij 0% arbeidsongeschikt wordt geacht. Dit besluit is zowel aan appellante als werkneemster verzonden maar niet aan appellantes gemachtigde.
1.4.
Op 4 juli 2012 heeft het Uwv het besluit van 3 april 2012 aan de gemachtigde van appellante gezonden.
1.5.
Appellante heeft het Uwv op 5 juli 2012 verzocht om een besluit te nemen over de verbeurde dwangsom.
1.6.
Bij besluit van 26 juli 2012 heeft het Uwv bepaald dat geen dwangsom is verschuldigd. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 31 oktober 2012.
1.7.
Nadat appellante daartegen beroep had ingesteld, heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2013 (bestreden besluit) de beslissing op bezwaar van 31 oktober 2012 in zoverre gewijzigd dat aan appellante alsnog een verbeurde dwangsom wordt betaald. Daarbij is uitgegaan van een zogenoemde hersteltermijn van twee weken na de ingebrekestelling, welke aanvangt op 29 februari 2012 (de datum van ontvangst door het Uwv van de ingebrekestelling) en loopt tot en met 14 maart 2012. De verschuldigde dwangsom is vervolgens berekend over de periode vanaf 15 maart 2012 tot en met 3 april 2012, de datum van verzending van het besluit aan appellante en werkneemster.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit van 31 oktober 2012 en voor het overige ongegrond verklaard onder bepaling dat de proceskosten worden vergoed aan appellante. De rechtbank heeft overwogen dat met de bekendmaking van het besluit van 3 april 2012 aan appellante is voldaan aan het doel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen. Dat het besluit niet op de juiste wijze is bekend gemaakt doet daaraan niet af. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat 3 april 2012 de laatste dag is waarop een dwangsom verschuldigd is.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor het bepalen van de laatste dag waarop een dwangsom is verschuldigd niet dient te worden uitgegaan van de datum waarop het besluit aan appellante en werkneemster is verzonden (3 april 2012), maar van de datum waarop het besluit aan de gemachtigde van appellante is verzonden (4 juli 2012). Daartoe heeft appellante aangevoerd dat een besluit pas is gegeven indien het op de voet van artikel 3:41 van Pro de Awb is bekend gemaakt door toezending of uitreiking aan belanghebbende, onder wie de aanvrager begrepen en dat toezending aan de gemachtigde van appellante had dienen te geschieden omdat gemachtigde daarom uitdrukkelijk had verzocht en een ieder zich op grond van artikel 2:1, eerste lid van de Awb kan laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Appellante heeft daarbij gewezen op rechtspraak van de Raad van onder meer 18 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9715.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geding in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de periode waarover een dwangsom is verbeurd door het Uwv terecht is beperkt tot 3 april 2012, de datum waarop het gevraagde besluit is toegezonden aan appellante en niet, zoals was verzocht, (ook) aan gemachtigde van appellante.
4.2.1.
Artikel 2:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen.
4.2.2.
In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
4.2.3.
Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4.3.
In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van Pro de Awb (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 3, blz. 1 en 3) is het volgende vermeld:
“Dit voorstel wil burgers een effectiever rechtsmiddel geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur.
(…)
De dwangsomregeling beoogt een financiële prikkel in de Awb op te nemen voor bestuursorganen om te besluiten binnen de geldende beslistermijnen. Een aanvrager van een beschikking krijgt de mogelijkheid om een bestuursorgaan dat verzuimt tijdig te beslissen, aan te sporen dit binnen een periode van twee weken alsnog te doen. Doet het bestuursorgaan dat niet, dan verbeurt het een dwangsom voor elke dag dat een beslissing nog langer uitblijft (zie artikel 4:17 eerste Pro lid).”
4.4.
Niet in geschil is dat het Uwv het besluit van 3 april 2012 per gelijke datum heeft verzonden aan appellante en haar werkneemster en niet, zoals was verzocht, (ook) aan gemachtigde van appellante.
4.5.
In de rechtspraak van de Raad over de artikelen 2:1, eerste lid en 3:41, eerste lid, in samenhang met artikel 6:8 van Pro de Awb, waar appellante een beroep op doet, is uiteengezet dat indien het bestuursorgaan weet heeft van het optreden voor de belanghebbende van een gemachtigde in een bepaalde zaak, de toezending van een besluit in die zaak uitsluitend aan de belanghebbende, normaliter tot gevolg zal hebben dat dat besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Uit deze rechtspraak kan weliswaar worden afgeleid dat als gevolg van de niet juiste bekendmaking de bezwaar- of beroepstermijn in dergelijke gevallen niet is gaan lopen, maar daaruit volgt niet dat indien een bestuursorgaan een besluit heeft gegeven zonder dit tevens aan de gemachtigde te verzenden dwangsommen verschuldigd zijn. Deze rechtspraak over de bekendmaking van besluiten en de betreffende wetsartikelen zien op de procedurele belangen van een belanghebbende (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969). Met artikel 4:17 van Pro de Awb wordt daarentegen beoogd de burger een rechtsmiddel te geven om het bestuursorgaan aan te sporen tot tijdige besluitvorming. Met de verzending van het besluit van 3 april 2012 aan appellante is dat besluit niet langer uitgebleven en heeft het in artikel 4:17 van Pro de Awb vervatte rechtsmiddel in zoverre het door de wetgever beoogde effect gesorteerd. Het Uwv heeft met juistheid bepaald dat na 3 april 2012 niet langer een dwangsom is verschuldigd aangezien het Uwv op die datum niet langer in gebreke is gebleven. Vanaf dat moment is er namelijk geen sprake meer van de situatie dat het besluit nog langer is uitgebleven.
4.6.
Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) H.J. Dekker

NW