Uitspraak
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 18 december 2012, nr. BK-11/00924, betreffende een beschikking op een verzoek om toekenning van een dwangsom.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een aanslag inkomstenbelasting en een boete opgelegd. Tegen de boete maakte zijn gemachtigde bezwaar. De Inspecteur vernietigde de boete binnen de wettelijke termijn en stuurde de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende, maar niet aan diens gemachtigde, wat in strijd was met artikel 6:17 Awb Pro.
Belanghebbende stelde de Inspecteur in gebreke wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en verzocht om een dwangsom. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaarden het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig nemen van een besluit en wezen het verzoek om dwangsom af.
De Hoge Raad bevestigt dat het besluit tijdig is genomen omdat het binnen de termijn aan belanghebbende is verzonden en dat het niet-zenden aan de gemachtigde een procedurele schending betreft die niet leidt tot niet-tijdigheid. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om dwangsom afgewezen omdat het besluit tijdig aan belanghebbende is verzonden.