ECLI:NL:CRVB:2012:BY6202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in toeslagenprocedure
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld over de overschrijding van de redelijke termijn in procedures betreffende de afbouw en beëindiging van toeslagen aan Turkse onderdanen in Turkije. De procedures betroffen bezwaren en beroepen tegen besluiten van het UWV en liepen vanaf bezwaren ingediend in 2003 tot uitspraken van de Raad in 2011.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, waarbij werd aangenomen dat de termijn aanving bij het bezwaar tegen de besluiten van 18 augustus 2003. De periode van behandeling bij het Europese Hof van Justitie werd buiten beschouwing gelaten. De Raad matigde de schadevergoeding tot €1.000 per verzoeker, rekening houdend met de aard van de zaak en het beperkte belang van sommige verzoekers.
De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten, waarbij rekening werd gehouden met de samenhang van de zaken en de mate van gezamenlijke procedurevoering. De Raad verwierp het standpunt van de Staat dat verzoekers als groep hadden geprocedeerd en dat het schadebedrag daarom gematigd moest worden.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 december 2012, waarbij de Staat werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan de verzoekers.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding per verzoeker en vergoeding van proceskosten.