ECLI:NL:RVS:2016:750
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake ongewenstverklaring vreemdeling met vergoeding wegens termijnoverschrijding
De vreemdeling werd bij besluit van 13 november 2007 ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Justitie. Na bezwaar en diverse procedures, waaronder een vernietiging van het eerste besluit door de rechtbank en een prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie van de EU, werd het bezwaar uiteindelijk opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond op 26 juni 2015.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de redelijke termijn voor uitspraak was overschreden, mede omdat de rechtbank ruim een half jaar na de zitting pas uitspraak deed zonder nadere toelichting. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de totale procedure, exclusief de duur van de prejudiciële procedure, zes jaar en vijf dagen had geduurd, waarbij de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep binnen de redelijke termijnen viel behalve de bezwaarprocedure die ruim tweeënhalf jaar duurde.
De overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en vijf dagen wordt volledig toegerekend aan de staatssecretaris. Daarom veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €1.500 aan de vreemdeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €248 voor rechtsbijstand.
De Afdeling concludeerde dat de overschrijding van de redelijke termijn geen grond was voor vernietiging van het besluit en dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt het vonnis dat de vreemdeling ongewenst is verklaard en veroordeelt de staatssecretaris tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.