ECLI:NL:CRVB:2012:BY5260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WW- en ZW-uitkering wegens werkzaamheden in theehuis
Appellant ontving vanaf 1 februari 2008 een WW-uitkering, die later werd omgezet in een ZW-uitkering na ziekmelding. Het UWV ontdekte bij een inval in het theehuis van appellant dat hij daar werkzaam was, wat leidde tot herziening en intrekking van de uitkeringen vanaf 2 april 2008 en terugvordering van onverschuldigde bedragen.
Appellant voerde aan dat hij slechts vrijwilligerswerk verrichtte en niet als werknemer kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellant inderdaad werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar zijn en daarmee zijn hoedanigheid als werknemer verloor, ook al was er geen sprake van een dienstbetrekking met werkgeversgezag.
De Raad stelde vast dat het UWV de intrekking van de WW-uitkering niet op de juiste wettelijke grondslag had gebaseerd, maar dat de materiële uitkomst juist was. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, handhaafde de rechtsgevolgen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.