ECLI:NL:CRVB:2012:BX4618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens ten onrechte niet opleggen loonsanctie bij onvoldoende re-integratie
Appellante, werkzaam als facilitair medewerkster, viel op 23 oktober 2007 uit wegens longklachten en vroeg in juni 2009 een WIA-uitkering aan. Een arbeidsdeskundig rapport concludeerde dat haar werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Het UWV had ten onrechte geen loonsanctie opgelegd en kende een schadevergoeding toe van € 1.148,58. Appellante stelde bezwaar tegen de berekening van deze vergoeding, omdat het UWV niet uitging van de wettelijke termijn van 52 weken voor de loonsanctie.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV voor zover het de duur van de loonsanctie en de schadevergoeding betrof, en stelde dat bij onzekerheid over de duur een redelijke termijn gehanteerd mag worden. Het UWV stelde vervolgens een termijn van tien maanden voor, gebaseerd op onderzoek naar gemiddelde duur van loonsancties. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze benadering als redelijk, omdat de loonsanctie niet bedoeld is voor financieel voordeel maar om adequate re-integratie te stimuleren.
De Raad acht het uitgangspunt van tien maanden passend, mede gelet op het feit dat de werkgever pas in augustus 2009 met re-integratie op het tweede spoor begon. De Raad verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV ongegrond en bevestigt het eerdere oordeel. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV ongegrond en bevestigt de redelijkheid van de gehanteerde termijn van tien maanden voor de schadevergoeding.