Betrokkene werd arbeidsongeschikt verklaard na zijn dienstverband bij TNT Post B.V. en kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Appellant, het UWV, stelde vast dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, maar kon geen loonsanctie meer opleggen na het verstrijken van de wachttijd. Vervolgens werd een schadevergoeding toegekend wegens het niet opleggen van de loonsanctie.
De rechtbank had de schadevergoeding berekend over een periode van twaalf maanden, omdat onzekerheid bestond over de duur van de loonsanctie en de herstelperiode van de werkgever. Het UWV stelde hoger beroep in en betoogde dat de loonsanctie een prikkel is voor de werkgever en dat een gemiddelde duur van tien maanden redelijk is, conform eerder vastgestelde beleidslijnen en jurisprudentie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de loonsanctie een reparatoir karakter heeft en dat de gehanteerde periode van tien maanden aansluit bij de redelijke verwachting van de duur van de loonsanctie. De verwijtbare nalatigheid van de werkgever in de eerste twee jaar leidt niet tot een langere loonsanctieperiode, omdat de werkgever na oplegging alsnog tot re-integratie zou zijn gekomen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond, waarmee de schadevergoeding over tien maanden gehandhaafd blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.