Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-7005 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding advocatenkosten in bezwaarprocedure tegen UWV-besluit dagloon

In deze zaak stond de vraag centraal of appellant aanspraak kon maken op vergoeding van advocatenkosten gemaakt in de bezwaarfase tegen een besluit van het UWV over het dagloon. Het UWV had het dagloon verhoogd en een besluit genomen over de vergoeding van kosten en wettelijke rente. Hoewel het UWV bereid was reiskosten en wettelijke rente te vergoeden, weigerde het de advocatenkosten te vergoeden omdat deze niet waren gemaakt voor een proceshandeling zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Appellant stelde dat vanwege de ingewikkeldheid van de zaak een factor 1,5 op de kostenvergoeding gerechtvaardigd was. De Raad stelde vast dat de advocaat op verzoek van het UWV nadere inlichtingen had verstrekt, maar dat dit geen proceshandeling was die recht gaf op vergoeding volgens onderdeel A4 van de bijlage bij het Bpb. Het indienen van het bezwaarschrift, waarvoor vergoeding mogelijk is, was door appellant zelf gedaan.

De Raad vernietigde het bestreden besluit van 25 maart 2010 wegens strijd met het Besluit dagloonregels en verklaarde het beroep daarop gegrond. Het beroep tegen het latere besluit van 27 april 2012, waarin het UWV de advocatenkosten niet vergoedde, werd ongegrond verklaard. Het UWV werd wel verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier K.E. Haan.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 april 2012 tot weigering van vergoeding van advocatenkosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/7005 WW, 12/3084 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 november 2010, 10/1469 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 november 2012
PROCESVERLOOP
De Raad verwijst voor het procesverloop naar zijn tussenuitspraak van 23 maart 2012 (LJN BV9859).
Na de tussenuitspraak heeft het Uwv een nader besluit, gedateerd 27 april 2012, genomen.
Appellant heeft schriftelijk gereageerd.
Het Uwv heeft bij brief van 20 juni 2012 zijn beslissing van 27 april 2012 gecorrigeerd.
Appellant heeft schriftelijk gereageerd.
De Raad heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting vond andermaal plaats op 28 september 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak. Thans wordt volstaan met het volgende.
1.2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2012, zoals gecorrigeerd, het dagloon verhoogd van € 136,97 naar € 147,79. Het Uwv heeft tevens beslissingen genomen over vergoeding aan appellant van kosten gemaakt in de bezwaarfase en vergoeding van de wettelijke rente vanwege het te laag vastgestelde dagloon.
1.3. Het Uwv heeft daarbij meegedeeld niet bereid te zijn tot vergoeding van de kosten van € 1.475,84 van de advocaat ter zake van aan appellant verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, omdat deze kosten niet zijn gemaakt voor een handeling als genoemd in onderdeel A4 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Uwv heeft aangegeven wel bereid te zijn tot vergoeding van de reiskosten (in bezwaar, beroep en hoger beroep), alsmede tot vergoeding van de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2010.
2. Appellant is van mening dat, mede gelet op het contact dat hij over de kostenvergoeding destijds met het Uwv heeft gehad, het Uwv eveneens zijn advocatenkosten in de bezwaarfase dient te vergoeden. Vanwege de ingewikkeldheid van de zaak acht hij daarbij een factor 1,5 gerechtvaardigd.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft de Raad in de tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit van 25 maart 2010 is genomen in strijd met artikel 2, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Aangezien dit bij de aangevallen uitspraak niet is onderkend, dient deze te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit van 25 maart 2010, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, gegrond verklaren en dit besluit eveneens vernietigen.
3.2. De Raad stelt vast dat het besluit van 27 april 2012, zoals aangevuld en gecorrigeerd bij brief van 20 juni 2012, in de plaats is gekomen van het bestreden besluit van 25 maart 2010. Het Uwv komt daarmee niet tegemoet aan het standpunt van appellant voor zover het betreft de door hem gemaakte advocatenkosten in de bezwaarfase. Deze zijn thans nog in geschil.
3.3. De advocatenkosten zijn (onder meer) voortgevloeid uit verzoeken die het Uwv (met toestemming van appellant) aan diens advocaat heeft gedaan tot het geven van inlichtingen en het toezenden van stukken.
De advocaat heeft aan deze verzoeken voldaan en daarmee bijgedragen aan de besluitvorming. Het standpunt van appellant dat het gewicht en de ingewikkeldheid van de zaak een factor 1,5 rechtvaardigen is niet van grond ontbloot. Dit standpunt kan echter niet leiden tot het door appellant beoogde resultaat, omdat het verstrekken van de genoemde inlichtingen geen proceshandeling is waarvoor in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding (punt) moet worden toegekend. Onderdeel A4 van dat Besluit (dat het opschrift draagt ‘Bezwaar en administratief beroep’) kent - behalve voor het verschijnen op een hoorzitting - uitsluitend een vergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift in het kader van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant heeft zèlf het bezwaarschrift opgesteld en ingediend. Het nadien op verzoek van het Uwv verstrekken van nadere schriftelijke inlichtingen door de advocaat van appellant kan niet op één lijn worden gesteld met het indienen van een bezwaarschrift. Niet is gebleken dat over vergoeding van deze specifieke kosten door het Uwv aan appellant toezeggingen zijn gedaan. Dit brengt mee dat het beroep tegen het besluit van 27 april 2012, zoals aangevuld en gecorrigeerd bij brief van 20 juni 2012, ongegrond moet worden verklaard.
4. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting toegezegd de reiskosten van appellant tot een bedrag van in totaal (inclusief de bezwaarfase) € 57,96 te vergoeden. De Raad is verder niet gebleken van proceskosten in beroep en hoger beroep die voor vergoeding in aanmerking komen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 maart 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2012, zoals aangevuld en gecorrigeerd bij brief van 20 juni 2012, ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2012.
(getekend) J. Brand
(getekend) K.E. Haan
TM