ECLI:NL:CRVB:2012:BY2856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding advocatenkosten in bezwaarprocedure tegen UWV-besluit dagloon
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant aanspraak kon maken op vergoeding van advocatenkosten gemaakt in de bezwaarfase tegen een besluit van het UWV over het dagloon. Het UWV had het dagloon verhoogd en een besluit genomen over de vergoeding van kosten en wettelijke rente. Hoewel het UWV bereid was reiskosten en wettelijke rente te vergoeden, weigerde het de advocatenkosten te vergoeden omdat deze niet waren gemaakt voor een proceshandeling zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Appellant stelde dat vanwege de ingewikkeldheid van de zaak een factor 1,5 op de kostenvergoeding gerechtvaardigd was. De Raad stelde vast dat de advocaat op verzoek van het UWV nadere inlichtingen had verstrekt, maar dat dit geen proceshandeling was die recht gaf op vergoeding volgens onderdeel A4 van de bijlage bij het Bpb. Het indienen van het bezwaarschrift, waarvoor vergoeding mogelijk is, was door appellant zelf gedaan.
De Raad vernietigde het bestreden besluit van 25 maart 2010 wegens strijd met het Besluit dagloonregels en verklaarde het beroep daarop gegrond. Het beroep tegen het latere besluit van 27 april 2012, waarin het UWV de advocatenkosten niet vergoedde, werd ongegrond verklaard. Het UWV werd wel verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier K.E. Haan.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 april 2012 tot weigering van vergoeding van advocatenkosten wordt ongegrond verklaard.