ECLI:NL:CRVB:2013:CA0052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon en weigering hoger CAO-loon bij WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als slager, werd arbeidsongeschikt door visusklachten en ontving een WGA-uitkering met een vastgesteld dagloon van €63,56. Na bezwaar wijzigde het UWV dit in een IVA-uitkering met een geïndexeerd dagloon van €66,34.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de hoogte van het dagloon ongegrond, omdat de nabetaling door de werkgever in 2010 niet aan de referteperiode (1 september 2007 tot 31 augustus 2008) kon worden toegerekend en appellant niet had aangetoond dat het loon tijdens die periode niet inbaar was.
In hoger beroep stelde appellant dat het onredelijk was te eisen dat hij schriftelijk had aangetoond dat hij de werkgever voor het einde van de referteperiode had aangesproken op het hogere loon. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de werkgever op niet mis te verstane wijze had gemaand tot betaling.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het dagloon blijft ongewijzigd.