ECLI:NL:CRVB:2011:BU4382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering op grond van de WWB aan vreemdelingen met bijzondere omstandigheden
Appellanten, een vrouw en haar zoon, beiden vreemdelingen met een afwijzing van hun verblijfsvergunningaanvragen, vroegen bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij stelden dat hun bijzondere kwetsbaarheid, waaronder een posttraumatische stressstoornis en autisme, bescherming vereist op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Het College wees de aanvraag af op basis van artikel 16, tweede lid, WWB, omdat zij niet tot de kring der gerechtigden behoren. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat de positieve verplichting tot bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kan worden ingevuld, maar berust bij het bestuursorgaan belast met de uitvoering van voorzieningen voor vreemdelingen, zoals het COA.
De Raad overwoog dat de beoordelingsperiode loopt van aanvraag tot primaire besluit en bevestigde dat appellanten onder artikel 16, tweede lid, WWB vallen, waardoor bijstand geweigerd kan worden. De Raad liet de vraag of appellanten bijzondere bescherming verdienen op grond van artikel 8 EVRM Pro in het kader van de WWB in het midden, omdat die bescherming niet via de WWB kan worden verleend.
Appellanten ontvangen sinds 24 maart 2010 een toelage op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en kunnen gebruik maken van opvang door het COA. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees de vordering van appellanten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsuitkering aan appellanten op grond van artikel 16, tweede lid, WWB.