ECLI:NL:CRVB:2012:BX3982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand op grond van WWB wegens ontbreken verblijfsrecht
Appellant, een Surinaamse nationaliteit dragende persoon zonder verblijfsvergunning, verzocht het college om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de vereisten voor recht op bijstand, met name het ontbreken van een geldige verblijfsstatus en het niet kunnen worden gelijkgesteld aan een Nederlander.
Appellant voerde aan dat hij ernstig ziek is (HIV/AIDS) en dat op grond van artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven) positieve verplichtingen van de Staat zouden gelden om hem bijstand te verlenen. De Raad overwoog dat de beperkte doelstelling van de WWB dergelijke positieve verplichtingen niet omvatten en dat de beschermende werking van artikel 8 EVRM Pro niet leidt tot een recht op bijstand volgens de WWB.
Het college en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) hadden de situatie van appellant beoordeeld en geen noodsituatie vastgesteld die opvang of bijstand rechtvaardigt. Appellant vroeg nog om benoeming van een medisch deskundige, maar dit werd afgewezen omdat geen medisch advies ten grondslag lag aan het standpunt van het college en de Raad.
De Raad bevestigde het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter en wees het hoger beroep af. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter Korte op 7 augustus 2012.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant geen verblijfsvergunning heeft en niet kan worden gelijkgesteld aan een Nederlander volgens de WWB.