ECLI:NL:CRVB:2012:BW5471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand op grond van WWB wegens ontbreken geldige verblijfstitel
Appellant, een alleenstaande uitgeprocedeerde asielzoeker uit Burundi, diende op 22 oktober 2010 een aanvraag om bijstand in op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag op 2 december 2010 af omdat appellant niet beschikte over een geldige verblijfstitel. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 14 maart 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij recht heeft op bijstand, mede gelet op de bescherming van artikel 8 EVRM Pro inzake het privé- en gezinsleven en de bijzondere bescherming van kwetsbare personen. De Raad overweegt echter dat appellant als vreemdeling zonder geldige verblijfstitel valt onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, waardoor hij geen recht op bijstand kan ontlenen aan de WWB, ook niet op grond van de hardheidsclausule. De Raad verwijst naar vaste jurisprudentie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De Raad laat de vraag of appellant als kwetsbare persoon bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro in het kader van de WWB in het midden. De verantwoordelijkheid voor eventuele positieve verplichtingen jegens deze categorie vreemdelingen ligt bij andere bestuursorganen, zoals het COA. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De Raad bevestigt daarmee de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet beschikt over een geldige verblijfstitel en het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.