ECLI:NL:CRVB:2011:BT6097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens bezit onroerend goed in Suriname
Appellanten, gehuwd in gemeenschap van goederen, ontvingen bijstand terwijl zij onroerend goed in Suriname bezaten dat niet was gemeld aan het College van burgemeester en wethouders. Uit onderzoek bleek dat zij beschikten over een perceel met woning ter waarde van €160.000, wat hun vermogen boven de toegestane grens bracht.
Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. Appellanten voerden aan dat het onroerend goed voor hun kinderen bestemd was en zij er niet over konden beschikken, maar slaagden er niet in dit aannemelijk te maken.
De Raad oordeelde dat appellanten redelijkerwijs over het onroerend goed konden beschikken en dat de taxatiewaarde als uitgangspunt diende. De rechtbankuitspraken werden bevestigd en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.