ECLI:NL:CRVB:2013:1704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens overschrijding vrij vermogen na uitkering levensverzekering
Appellante ontving sinds september 2008 bijstand op grond van de WWB, waarbij haar vermogen werd vastgesteld. In april 2011 ontving zij een eenmalige uitkering van een levensverzekering van haar overleden echtgenoot, waardoor haar vermogen de toegestane grens overschreed. Het college trok daarop de bijstand met ingang van 1 april 2011 in en vorderde de kosten terug.
Appellante voerde aan dat de uitkering aan haar moest worden toegerekend aan de periode direct na het overlijden van haar echtgenoot in 2004, omdat zij destijds nog interingsruimte had. De Raad oordeelde echter dat de beoordeling van het vermogen bij aanvang van de bijstand in 2008 is afgesloten en dat latere uitkeringen niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegerekend aan de periode daarvoor.
Het college had daarom terecht het bedrag van de uitkering toegevoegd aan het vermogen bij aanvang van de bijstand en de intrekking van de bijstand was gegrond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de vrije vermogensruimte door een uitkering uit een levensverzekering wordt bevestigd.