ECLI:NL:CRVB:2020:3252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering wegens niet opgegeven inkomsten
Appellant ontving vanaf 10 september 2013 inkomensondersteuning op grond van de Wajong 2010. Het UWV stelde bij besluit van 7 juli 2017 vast dat appellant van 14 april tot 18 juli 2015 werkzaamheden had verricht, waarvan de inkomsten niet waren meegenomen bij de vaststelling van de uitkering. Daarom werd een bedrag van €1.019,17 bruto teruggevorderd als onverschuldigd betaalde uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat hij tijdig melding had gedaan van zijn werkzaamheden en dat terugvordering na twee jaar onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen heeft. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV verplicht is tot terugvordering tenzij dringende redenen zich voordoen, welke niet waren aangetoond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat rechtszekerheid vereist dat overheidsbesluiten niet met terugwerkende kracht kunnen worden gewijzigd en dat de terugvordering sociaal onaanvaardbaar is. De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft gehandeld volgens het buitenwettelijke beleid, waarbij het van belang is of het voor appellant redelijkerwijs duidelijk was dat de uitkering onjuist was vastgesteld. Dit was het geval, omdat appellant op de hoogte was van de invloed van inkomsten op de uitkering en wijzigingen moest melden.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de terugvordering heeft vastgesteld en dat geen dringende redenen tot kwijtschelding zijn gebleken. De terugvordering was bovendien reeds voldaan. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €1.019,17 onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering.