ECLI:NL:CRVB:2010:BM9795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand en afwijzing bijzondere bijstand ondanks internationale verdragsgronden
Appellanten ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden, waarna het College de bijstand met 50% verlaagde voor vier maanden en de norm wijzigde naar die van een alleenstaande ouder voor een korte periode. Tevens werd een aanvraag voor bijzondere bijstand voor dieetkosten van hun zoon afgewezen.
Appellanten voerden aan dat deze besluiten in strijd waren met internationale verdragsbepalingen, waaronder artikel 13 van Pro het Europees Sociaal Handvest, artikelen 3, 5 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, en artikelen 3, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Raad oordeelde dat deze verdragsbepalingen geen afdwingbare individuele rechten bevatten die de besluiten konden vernietigen.
De Raad overwoog verder dat de beperkingen door de besluiten slechts bescheiden en tijdelijk waren, en dat er geen onevenredige nadelige gevolgen voor appellanten en hun gezin waren. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde mede omdat de maatregelen een redelijke balans vormden tussen publieke en particuliere belangen. Ook het beroep op artikel 6 EVRM Pro werd verworpen omdat het niet om een strafrechtelijke procedure ging.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken van de rechtbank en wees de beroepen van appellanten af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand en afwijzing van bijzondere bijstand en wijst het hoger beroep af.