ECLI:NL:CRVB:2010:BN8725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsverlening aan niet-toegelaten vreemdeling met zorgafhankelijkheid
Appellant, geboren in 1962 en volledig zorg- en rolstoelafhankelijk, is in 2004 vanuit Suriname naar Nederland gekomen en woont bij zijn moeder die hem financieel en verzorgend ondersteunt. Ondanks zijn kwetsbare gezondheidssituatie en beroep op artikel 8 EVRM Pro, is hem bijstand geweigerd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanwege zijn verblijfsrechtelijke positie als niet-toegelaten vreemdeling.
De Raad beoordeelde dat appellant niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden en dat het koppelingsbeginsel van artikel 16 WWB Pro van toepassing is, waardoor bijstand geweigerd kan worden, ook bij zeer dringende redenen. De Raad erkent dat appellant tot de kwetsbare groep behoort die recht heeft op bescherming van privéleven, maar constateert dat hij gedurende de relevante periode bij zijn moeder verbleef die hem verzorgde met hulp van derden.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt omdat de weigering van bijstand niet leidde tot een onhoudbare situatie of een ontoereikende zorgverlening. Ook is geen sprake van relevante wijzigingen in omstandigheden die een nieuwe bijstandsverlening rechtvaardigen. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van bijstand aan appellant vanwege zijn verblijfsrechtelijke status en faal van het beroep op artikel 8 EVRM.