ECLI:NL:CRVB:2009:BI3772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen samenwoning
Betrokkene kreeg vanaf 9 oktober 1997 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Op 22 januari 1999 werden betrokkene en haar echtgenoot aangehouden wegens verzwegen voortzetting van samenwoning, waarna de bijstand werd ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 1999. Appellant, het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam, besloot bijstand terug te vorderen over de periode van 27 februari 1998 tot en met 31 januari 1999 wegens opzettelijke verzwegen samenwoning.
De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard wegens een onjuiste bevoegdheidsgrondslag, maar oordeelde dat de vordering over de periode 27 februari 1998 tot 22 december 1998 was verjaard. De Centrale Raad van Beroep stelt dat de verjaringstermijn begint te lopen op het moment dat het bestuursorgaan bekend is met de feiten waaruit blijkt dat ten onrechte bijstand is verleend, in dit geval 22 januari 1999, de datum van aanhouding.
De Raad concludeert dat de vordering over de genoemde periode niet verjaard was ten tijde van het geding en bevestigt dat appellant bevoegd was tot terugvordering. Er zijn geen gronden om af te wijken van het terugvorderingsbeleid. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het betreft de verjaring, en de rechtsgevolgen van het besluit van 6 februari 2007 blijven volledig in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998 is niet verjaard en het besluit tot terugvordering blijft volledig in stand.