ECLI:NL:CRVB:2013:BY7958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.H. Bel
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand wegens aanspraak op nalatenschap pas opeisbaar na afwikkeling nalatenschap vader
Appellant ontving van 1987 tot 1994 bijstand terwijl hij een aanspraak had op middelen uit de nalatenschap van zijn moeder, waarover hij toen nog niet kon beschikken. Het college van burgemeester en wethouders van Roermond vorderde de bijstand terug zodra deze vordering opeisbaar werd.
De vader van appellant overleed in 2006, en de afwikkeling van de nalatenschap werd in 2008 voltooid. Het college stelde appellant in 2009 aansprakelijk voor terugvordering van de bijstand, maar appellant reageerde niet. De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte geen rekening hield met het destijds vrij te laten vermogen.
In hoger beroep stelde appellant dat de terugvordering was verjaard en dat de brief van 1993 een besluit was. De Raad oordeelde dat de brief slechts een aankondiging was zonder rechtsgevolg en dat de terugvordering pas rechtsgeldig kon plaatsvinden na opeisbaarheid van de vordering op de nalatenschap van de vader.
De Raad concludeerde dat de verjaringstermijn pas in 2008 begon en dat de terugvordering in 2009 niet verjaard was. Het besluit van 2011 tot terugvordering werd als rechtmatig bevestigd, en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand wordt bevestigd.