ECLI:NL:CRVB:2008:BG8576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling oorzakelijk verband bij toegenomen arbeidsongeschiktheid en toepassing artikel 43a WAO
De werknemer viel in november 2000 uit wegens klachten aan de rechterheup en ontving een WAO-uitkering. Na herstel en een operatie aan de rechterheup werd de uitkering ingetrokken. In 2004 meldde de werknemer zich opnieuw ziek met klachten aan de linkerheup, gevolgd door een operatie en complicaties. Het UWV kende opnieuw een WAO-uitkering toe met toepassing van artikel 43a, dat een verkorte wachttijd van vier weken voorschrijft bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.
De werkgever, als eigen risicodrager, betwistte het oorzakelijk verband tussen de klachten rechts en links en stelde dat de gebruikelijke wachttijd van twee jaar van toepassing moest zijn. De rechtbank oordeelde dat niet buiten twijfel stond dat er geen verband was en gaf de werknemer het voordeel van de twijfel. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, dat het UWV vervolgens nam en waarin het bezwaar van de werkgever ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de bewijslast bij de werkgever ligt om het ontbreken van een oorzakelijk verband aan te tonen. De Raad vindt dat de door de werkgever overgelegde medische rapporten dit niet overtuigend doen. De uitleg van artikel 43a WAO wordt niet beïnvloed door het eigenrisicodragerschap van de werkgever, aangezien de wetgever hiermee rekening heeft gehouden. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de werknemer in hoger beroep en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en het bestreden besluit van het UWV bevestigd.