Uitspraak
.
6 september 2016 vragen van de Raad beantwoord.
OVERWEGINGEN
.Ten slotte heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven.
10 februari 2016, nader toegelicht in het rapport van 5 september 2016, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderbouwd dat er geen enkele twijfel bestaat over het gegeven dat er sprake is van twee verschillende ziekteoorzaken. Hij heeft geconcludeerd dat de aanpassingsstoornis in 2000 als reactie op de relatieproblematiek niet hetzelfde oorzakelijk verband heeft als de rouwreactie na een door de partner afgedwongen abortus in 2011, ongeacht het gegeven dat het hier een en dezelfde persoon betreft die in 2000 een aantal van dezelfde persoonskenmerken met zich meedroeg als in 2011. Volgens deze arts zijn zelfs de ziektebeelden naar aanleiding, ernst, presentatie en diagnose onderscheidend geweest.
1 januari 2011 geen sprake is van toegenomen beperkingen die voortvloeien uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan appellante tot 2006 ongeschikt was, wordt gevolgd. De tot 2006 geldende beperkingen hielden verband met een aanpassingsstoornis door huwelijksproblemen. Van toegenomen psychische beperkingen per 1 januari 2011 die niet uit een kennelijk andere ziekteoorzaak voortvloeien is geen sprake. Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert, heeft appellante geen overtuigend en onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat ten grondslag ligt aan bestreden besluit 2. Hieruit volgt dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het benoemen van een deskundige.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 5 augustus 2013 geheel in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.753,50;
- bepaalt dat het Uwv appellante het door haar betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 166,- vergoedt.
- in het geding 16/704verklaart het beroep tegen het besluit van 12 november 2015 ongegrond;
- vernietigt het besluit van 18 februari 2016.