ECLI:NL:CRVB:2001:AL1341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.J. Simon
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hernieuwde WAO-uitkering bij vermeende toename beperkingen door andere oorzaak
Appellant, geboren in 1946, liep in 1963 een ernstig ongeval op met fracturen aan pols, hiel en lendenwervel, maar geen nekletsel. Hij ontving vanaf 1992 een WAO-uitkering wegens rugklachten, welke in 1995 werd ingetrokken nadat hij als belastbaar werd beoordeeld voor licht, rugsparend werk.
In 1998 vroeg appellant heropening van zijn WAO-uitkering wegens vermeerde beperkingen, waaronder nekklachten. Medisch onderzoek toonde echter aan dat de nekbeperkingen voortkwamen uit artrose zonder verband met het eerdere ongeval of de rugklachten. Diverse verzekeringsartsen en specialisten bevestigden het ontbreken van een oorzakelijk verband tussen de nekproblemen en de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid.
De Raad overwoog dat artikel 43a WAO vereist dat een hernieuwde uitkering alleen kan worden toegekend indien de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de eerdere uitkering. Nu de nekklachten een andere oorzaak hadden, was artikel 43a niet van toepassing. Ook was geen medische onderbouwing voor een toename van de oorspronkelijke rugbeperkingen geleverd. De Raad bevestigde daarom het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen om de uitkering te weigeren.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van hernieuwde WAO-uitkering wegens ontbreken van toename van beperkingen door dezelfde oorzaak.