ECLI:NL:CBB:2024:418
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling last onder dwangsom en invorderingsbesluiten wegens overtredingen dierenwelzijn bij dierenhouderij
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 2 juli 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin een dierenhouderij beroep instelde tegen een last onder dwangsom en meerdere invorderingsbesluiten opgelegd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren.
De last onder dwangsom was opgelegd naar aanleiding van een controle in maart 2021 waarbij meerdere overtredingen werden geconstateerd, waaronder onvoldoende schoon drinkwater, te weinig ruimte voor honden, natte verblijven en ongeschikte zitstokken voor pauwen. De minister heeft de last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtredingen. De dierenhouderij betwistte de bevoegdheid van de minister en de geconstateerde overtredingen, maar het College oordeelde dat het tijdsverloop van elf maanden tussen controle en oplegging niet tot onbevoegdheid leidt en dat de overtredingen terecht zijn vastgesteld op basis van gedetailleerde toezichtrapporten.
De minister heeft daarnaast invorderingsbesluiten genomen voor verbeurde dwangsommen naar aanleiding van controles in 2022 en 2023. Deze bedragen zijn later door de minister verlaagd in gewijzigde invorderingsbesluiten. De dierenhouderij voerde geen andere beroepsgronden aan tegen deze besluiten dan tegen de last onder dwangsom, waardoor ook deze beroepen werden verworpen.
Het College concludeert dat de minister bevoegd was, de overtredingen terecht zijn vastgesteld en dat de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staat tot de geschonden belangen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt aan de dierenhouderij vergoed.
Uitkomst: Het beroep van de dierenhouderij tegen de last onder dwangsom en invorderingsbesluiten wordt ongegrond verklaard.