ECLI:NL:CBB:2024:417
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen invordering dwangsom wegens niet naleven uitlaatplicht honden
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legde een last onder dwangsom op aan een dierenhouderij vanwege overtreding van artikel 3.16 van het Besluit houders van dieren, waarbij de dierenhouderij verplicht werd de honden dagelijks passend bij hun ethologische en fysiologische behoeften buiten te laten. Na een controle door de NVWA op 2 maart 2021 bleek dat de dierenhouderij hier niet aan voldeed, wat leidde tot een invorderingsbesluit tot betaling van een dwangsom van €1.500.
De dierenhouderij stelde dat zij de honden dagelijks uitlaat, maar erkende dat tijdens controles de honden niet werden uitgelaten om stress te voorkomen. Het College oordeelde dat deze stelling onvoldoende was onderbouwd en dat de bevindingen van de toezichthouders en dierenartsen, waaronder het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring, voldoende bewijs vormden dat de maatregel niet werd nageleefd.
Het College benadrukte dat het dwangsombesluit onherroepelijk was omdat er geen rechtsmiddel tegen was aangewend en dat in een procedure tegen het invorderingsbesluit alleen uitzonderlijke gronden kunnen worden aangevoerd. De dierenhouderij slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij voldoende personeel en faciliteiten had om de honden dagelijks uit te laten zoals wettelijk vereist.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en bevestigde de invordering van de dwangsom. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de dierenhouderij tegen de invordering van de dwangsom wegens niet naleven van de uitlaatplicht is ongegrond verklaard.