Appellante stelde dat zij meer landbouwgrond in gebruik had op de peildatum 15 mei 2015 dan door verweerder was meegenomen bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Tevens vorderde zij schadevergoeding wegens de lange behandeltijd van het bezwaar, die zou hebben geleid tot hogere kosten voor aankoop fosfaatrechten en extra geslachte koeien.
Het College overwoog dat voor het toekennen van fosfaatrechten de feitelijke beschikkingsmacht over de grond op 15 mei 2015 doorslaggevend is. Appellante heeft niet kunnen aantonen dat zij op die datum de feitelijke beschikkingsmacht had over de extra 4,85 hectare en de 0,75 hectare verhuurde grond. De grond kon daarom niet worden meegeteld bij de fosfaatruimte.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding oordeelde het College dat de schade niet rechtstreeks door de behandeltijd van het bezwaar is veroorzaakt. Appellante had zelf kunnen besluiten eerder fosfaatrechten aan te kopen. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.