Uitspraak
staatssecretaris van Economische Zaken(voorheen de minister van LNV),
2.De grondslag van het geschil
3.De uitspraak van de rechtbank
4.Het standpunt van [A] in hoger beroep
5.De beoordeling van het hoger beroep
nietwordt verlengd.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een boete opgelegd aan een landbouwer wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en fosfaat in 2006. De staatssecretaris stelde dat de landbouwer meer mest had gebruikt dan toegestaan en legde een boete van €26.197,- op. De rechtbank verklaarde het beroep van de landbouwer ongegrond.
De landbouwer voerde in hoger beroep aan dat een deel van de grond die hij in 2006 verkocht had, nog tot zijn bedrijf behoorde omdat hij die grond mocht blijven gebruiken en beheren. Ook stelde hij dat zijn opslagcapaciteit voor mest groter was dan de door de staatssecretaris gehanteerde 800 m3, namelijk 1200 m3, en dat de eindvoorraad mest daardoor hoger moest worden vastgesteld.
Het College oordeelde dat de landbouwer niet aannemelijk had gemaakt dat de grond juridisch tot zijn bedrijf behoorde, omdat hij geen geldige titel kon aantonen en noch de koper noch de gebruiker van de grond de afspraken bevestigden. Ten aanzien van de eindvoorraad stelde het College vast dat de staatssecretaris onterecht was uitgegaan van een maximale opslagcapaciteit van 800 m3, terwijl er ook kleinere mestputten waren die niet waren meegenomen. Omdat de landbouwer aannemelijk had gemaakt dat de eindvoorraad 850 m3 bedroeg, werd de staatssecretaris opgedragen het besluit te herstellen en de boete te herberekenen op basis van deze hogere eindvoorraad.
Het College gaf een termijn van vier weken voor herstel van het besluit en kondigde aan na herstel een einduitspraak te zullen doen.
Uitkomst: Het College draagt de staatssecretaris op de boete te herberekenen op basis van een hogere eindvoorraad mest en zal na herstel een einduitspraak doen.