Uitspraak
staatssecretaris van Economische Zaken.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante werd door de staatssecretaris een bestuurlijke boete opgelegd van €119.697 wegens overschrijding van de meststoffen gebruiksnormen in het kalenderjaar 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de overtreding vaststond op basis van het AID-rapport en verklaringen van de bestuurder.
In hoger beroep betwistte appellante niet langer de feitelijke overschrijding op circa 6 hectare landbouwgrond, maar stelde dat zij over meer grond beschikte dan waarop de boete was gebaseerd. Het College oordeelde dat appellante deze stelling onvoldoende had onderbouwd, waardoor de boete terecht was berekend.
Verder werd het beroep op het Salduz-arrest verworpen en werd geoordeeld dat de overschrijding van de beslistermijn van 13 weken een termijn van orde is, waardoor de bevoegdheid van de staatssecretaris niet verviel. Ook de matigingsverzoeken vanwege financiële situatie en blanco strafblad werden afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete van €119.697 bevestigd.