Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 oktober 2014 op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Economische Zaken, (hierna: de staatsecretaris),
gemachtigde van appellante sub 2: [naam 4]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Het geschil betreft bestuurlijke boetes opgelegd aan appellanten wegens overtreding van artikel 7 van Pro de Meststoffenwet (Msw) in 2009, waarbij sprake was van overschrijding van gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat. De boetes zijn verdeeld over natuurlijke personen en rechtspersonen, waaronder een feitelijk leidinggevende en medeplegers.
De rechtbank Arnhem had het beroep van een van de betrokken rechtspersonen gegrond verklaard wegens formele onjuistheid, maar de boetes aan de overige appellanten bevestigd. In hoger beroep betwisten appellanten onder meer de overschrijding van de gebruiksnormen, de rol van medeplegerschap en de hoogte van de boetes, mede vanwege minderjarigheid en draagkracht.
Het College oordeelt dat de staatssecretaris bevoegd was de boetes op te leggen en dat de bewijslast primair bij appellanten lag, die onvoldoende aannemelijk maakten dat de normen niet waren overschreden. Medeplegerschap en feitelijk leidinggeven zijn terecht vastgesteld op basis van de feitelijke rol en betrokkenheid bij de mesthandel. De boetes zijn wettelijk gemaximeerd en de cumulatie van boetes is toegestaan. De minderjarigheid en draagkracht van appellant 1 en 3 bieden geen grond voor matiging.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boetes blijven gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de opgelegde bestuurlijke boetes blijven gehandhaafd.