ECLI:NL:RVS:2025:1319
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- H. Benek
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake inzagerecht persoonsgegevens in kinddossier en civiele processtukken
De zaak betreft een hoger beroep van [appellant sub 1] tegen besluiten van de minister voor Rechtsbescherming inzake zijn verzoek om inzage in persoonsgegevens van hemzelf en zijn minderjarige zoon, verwerkt door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK).
De minister had het verzoek gedeeltelijk toegewezen en de rest afgewezen, waarna de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaarde. Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte niet alle relevante stukken had betrokken en dat het inzagerecht onjuist was beperkt, met name inzake civiele processtukken, documenten over een vermeend pedofielennetwerkcomplot en besluitvorming rondom een zitting bij het Gerechtshof Den Haag.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank en minister onvoldoende hadden gemotiveerd waarom inzage in bepaalde persoonsgegevens werd geweigerd, dat de minister onvoldoende had onderbouwd waarom het inzagerecht beperkt kon worden op grond van artikel 41 van Pro de UAVG, en dat de rechtbank ten onrechte niet alle relevante stukken had opgevraagd. De Afdeling vernietigt daarom het besluit van 31 maart 2020 en draagt op een nieuw besluit te nemen dat aan de wettelijke eisen voldoet.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 31 maart 2020 wordt vernietigd voor zover het inzagerecht in persoonsgegevens wordt geweigerd; de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.