ECLI:NL:RVS:2024:5118
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Erkenning naar Ghanees gewoonterecht leidt tot verkrijging Nederlanderschap
Appellant A diende namens zijn kind B een aanvraag in voor een Nederlands paspoort, die door de minister van Buitenlandse Zaken niet in behandeling werd genomen omdat geen juridische afstammingsrelatie was vastgesteld. B is buiten het huwelijk geboren en heeft de Ghanese nationaliteit. De kernvraag was of appellant A door erkenning naar Ghanees gewoonterecht juridisch vader is geworden, waardoor B Nederlander is geworden volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State herzag haar eerdere jurisprudentie en stelde dat de vier cumulatieve voorwaarden voor erkenning naar Ghanees gewoonterecht niet strikt gelden. In plaats daarvan moeten alle relevante omstandigheden integraal worden beoordeeld. Hoewel appellant A niet aannemelijk maakte dat een naamgevingsceremonie had plaatsgevonden en onvoldoende objectief bewijs leverde van verzorging en onderhoud, woog mee dat hij als vader op de geboorteakte stond vermeld, publiekelijk als vader optrad, en dat de moeder zijn vaderschap erkende.
De Afdeling concludeerde dat appellant A B op 10 oktober 2000 naar Ghanees gewoonterecht heeft erkend, waardoor een juridische afstammingsrelatie ontstond die gelijkgesteld kan worden met erkenning naar Nederlands recht. De minister heeft de paspoortaanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en besluiten vernietigd, en de minister opgedragen de aanvraag in behandeling te nemen. Tevens werden proceskosten aan appellant A toegekend.
Uitkomst: De Afdeling oordeelt dat appellant A zijn kind B naar Ghanees gewoonterecht heeft erkend, waardoor B Nederlander is en de paspoortaanvraag in behandeling moet worden genomen.