Verzoeker, geboren in Australië in 1977 als kind van een Nederlandse vader en een Australische moeder, verzocht om vaststelling van zijn Nederlandse nationaliteit op grond van het vaderschap. De rechtbank wees het verzoek af omdat de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en zijn vader volgens de rechtbank alleen erkend kon worden indien deze was neergelegd in een bevoegde akte, wat niet het geval was bij geboorte.
De Hoge Raad oordeelt dat deze erkenning niet afhankelijk is van het bestaan van een akte, mits met voldoende zekerheid vaststaat dat het buitenlandse rechtsfeit bestaat en geen strijd met de openbare orde is. Naar het Australische recht bestaat vanaf de geboorte een familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en zijn vader, die gelijkwaardig is aan die tussen een wettig kind en vader in Nederland.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt vast dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezit. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. Hiermee wordt erkend dat de erkenning van het vaderschap in het buitenland ook leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap bij geboorte, mits de familierechtelijke betrekking vergelijkbaar is met de Nederlandse situatie.