ECLI:NL:RVS:2023:1249
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling evenredigheid weigering verklaring omtrent het gedrag voor taxichauffeurskaart na zedendelict
De appellant verzocht om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart BCT, noodzakelijk voor het beroep van taxichauffeur. De minister voor Rechtsbescherming wees dit verzoek af op grond van een eerdere veroordeling wegens bezit en verspreiding van kinderpornografie, waarbij het objectieve criterium werd toegepast dat herhaling van dit delict een risico vormt voor passagiers en de samenleving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de appellant stelde in hoger beroep dat het objectieve criterium onjuist werd toegepast omdat het delict een 'hands off'-delict betreft en dat de minister onvoldoende rekening hield met de specifieke omstandigheden van zijn zaak, waaronder zijn mentale gezondheid en de wijze waarop het delict is begaan.
De Raad van State oordeelde dat de minister de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de evenredigheid van de weigering, in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De Raad handhaafde echter de weigering van de VOG omdat het belang van de samenleving bij bescherming tegen zedendelicten zwaarder weegt dan het belang van appellant, mede gelet op het verscherpte toetsingskader en het tijdsverloop sinds de veroordeling.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De appellant mag het beroep van taxichauffeur niet uitoefenen zonder VOG.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de VOG wordt vernietigd, maar de weigering blijft in stand wegens bescherming van de samenleving.