Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Verweerder heeft de aanvraag van afgifte van een VOG mogen weigeren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
(10 maart 2022) bestrijkt meer dan twee jaren, waardoor verweerder ten onrechte de pleegdatum in plaats van de datum van de uitspraak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft genomen. Dat levert een gebrek op in het bestreden besluit.
29 maart 2023. [3] Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de genoemde passage uit paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels op zichzelf in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. De passage voorziet er namelijk in dat in bepaalde situaties de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling moet worden betrokken. Het evenredigheidsbeginsel staat echter in de weg aan een uitleg ("a contrario") dat uit deze passage ook volgt dat, als verweerder wel tot een goede oordeelsvorming kan komen en niet twijfelt over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, hij de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden niet in zijn beoordeling hoeft te betrekken. De minister moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb. Daaronder vallen ook de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden. Ook dit levert een gebrek op in het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser tot een bedrag van