ECLI:NL:RVS:2022:802
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.J.M. Baldinger
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel ondanks niet-uitzetbaarheid wegens artikel 3 EVRM
Een vreemdeling van Eritrese nationaliteit, geboren in 1997, kreeg in 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig tot 2019. Na een aanvraag tot verlenging in februari 2019, werd deze afgewezen en werd de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per juni 2016. Tevens werd een terugkeerbesluit genomen, met een inreisverbod van tien jaar, maar vanwege het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro werd gedwongen uitzetting op dit moment achterwege gelaten.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat het terugkeerbesluit onevenredig en onrechtmatig is omdat hij niet kan worden uitgezet, en dat dit de rechtmatigheid van het gehele besluit aantast. Hij verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie die terugkeerbesluiten verbiedt indien terugkeer onmogelijk is en geen derde land beschikbaar is.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het nemen van een terugkeerbesluit verplicht is bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf en dat de situatie waarin uitzetting niet mogelijk is, niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling bevestigde dat het terugkeerbesluit voldoet aan de vereisten, waaronder de vermelding van het land van terugkeer. Prejudiciële vragen werden niet gesteld omdat de relevante rechtsvragen reeds door het Hof van Justitie zijn beantwoord.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit wordt bevestigd.