ECLI:NL:RVS:2022:2758
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid ongewenstverklaring vreemdeling met dubbele nationaliteit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde de vreemdeling, met de nationaliteiten van Bosnië en Herzegovina en Kroatië, ongewenst vanwege betrokkenheid bij ernstige 1(F)-misdrijven in de jaren 1992-1994. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het beroep gegrond, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de ongewenstverklaring deugdelijk had gemotiveerd, met inachtneming van het arrest K. en H.F. van het Hof van Justitie EU. De Afdeling verwierp de argumenten van de rechtbank over onvoldoende motivering en onvolledige belangenafweging.
De Raad stelde vast dat de staatssecretaris het fundamentele belang van de samenleving zwaarder mocht laten wegen dan de belangen van de vreemdeling als Unieburger, en dat er geen minder ingrijpende maar even doeltreffende maatregelen waren. De rechtbank had ten onrechte zelf in de zaak voorzien.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd de ongewenstverklaring bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarbij de ongewenstverklaring als deugdelijk gemotiveerd wordt bevestigd.