Eiser, een EU-burger met de Poolse nationaliteit, is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens ernstige strafbare feiten, waaronder brandstichting en bedreiging. De minister beëindigde daarop zijn verblijfsrecht in Nederland en verklaarde hem ongewenst, met het bevel het land onmiddellijk te verlaten. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang heeft zolang de ongewenstverklaring van kracht is. Het beroep tegen de ongewenstverklaring is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor fundamentele belangen van de samenleving.
De rechtbank weegt het evenredigheidsbeginsel af en concludeert dat de belangen van de samenleving zwaarder wegen dan die van eiser, die geen beschermenswaardig gezins- of privéleven in Nederland heeft. De banden met zijn land van herkomst zijn nog aanwezig en hij heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een groot belang heeft om in Nederland te verblijven. De rechtbank bevestigt dat de minister het besluit zorgvuldig heeft genomen en dat de gevolgen voor eiser niet onevenredig zijn.
Tot slot wijst de rechtbank erop dat eiser in de toekomst een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring kan indienen als hij aan de voorwaarden voldoet. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.