Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
K. en H.F.van 2 mei 2018 [5] . Op de inhoud van dit arrest wordt hierna ingegaan.
Z.Zh. en I.O.heeft het HvJ uitleg gegeven aan dit Unierechtelijke openbare orde-begrip en geoordeeld dat alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokkene waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een bedreiging vormen relevant zijn, waaronder, indien de betrokkene wordt verdacht van een strafbaar feit, de aard en de ernst van dat feit en het tijdsverloop sinds het plegen ervan [9] .
K. en H.F.. Daarin is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet voldoende is om te voldoen aan het Unierechtelijke openbare orde-begrip (punt 51). Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden (punt 54). Dit geldt eens temeer indien een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt (punt 55). Stellig relevant is het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen (punt 58). Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico (punt 60). Daarnaast heeft het HvJ geoordeeld dat een maatregel waarbij het recht op vrij verkeer wordt beperkt slechts gerechtvaardigd kan zijn indien het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd (punt 61).
K. en H.F.-arrest. De beroepsgrond slaagt.
K. en H.F.-arrest dat bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, het eens temeer noodzakelijk is dat verweerder onderzoek verricht naar de aard en de ernst van de aan eiser verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij daar persoonlijk bij betrokken was en het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Nu verweerder heeft nagelaten dit onderzoek te verrichten, kan het bestreden besluit ook op dit punt niet in stand blijven.
K. en H.F.-arrest tijdsverloop een factor die verweerder bij zijn beoordeling dient te betrekken. Ter zitting heeft verweerder onderkend dat dit aspect in het bestreden besluit niet goed is gemotiveerd. Wel heeft verweerder er in het verweerschrift op gewezen dat op grond van punt 58 van het
K. en H.F.-arrest ook na een tijdsverloop van achttien jaar nog sprake kan zijn van een actuele bedreiging, wanneer het gaat om uitzonderlijke ernstige handelingen. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waarom de handelingen die aan eiser zijn tegengeworpen als uitzonderlijk ernstig moeten worden aangemerkt. Ook deze beroepsgrond slaagt.
K. en H.F.-arrest over specifieke historische en maatschappelijke context van de verweten gedragingen en op het recidiverisico, slaagt ook deze beroepsgrond.
K. en H.F.-arrest moet in het kader van dit beginsel de dreiging die van de betrokkene uitgaat worden afgewogen tegen de rechten die Unieburgers en hun familieleden ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn (punt 62). Daarbij moet rekening worden gehouden met de fundamentele belangen waarvan het HvJ de eerbiediging waarborgt, in het bijzonder het recht op privé- en gezinsleven (punt 63). Ook dient te worden nagegaan of er andere maatregelen zijn die het recht op vrij verkeer minder aantasten en even doeltreffend zijn om de bescherming van de ingeroepen fundamentele belangen van de samenleving te waarborgen (punt 64).
Torubarov-arrest [22] volgt dat het recht op een effectief rechtsmiddel van artikel 47 van Pro het Hv [23] met zich brengt dat wanneer de beslissingsautoriteit niet in overeenstemming handelt met een uitspraak van de bestuursrechter waarbij een besluit is vernietigd en terugverwezen, de bestuursrechter gehouden is om dit in overeenstemming met zijn eerdere uitspraak te wijzigen en zijn beslissing in de plaats te stellen van die van de beslissingsautoriteit. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het primaire besluit herroepen voor zover eiser daarbij ongewenst is verklaard.