ECLI:NL:RVS:2021:2791
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aansprakelijkheid voor asielaanvraag na overdracht Dublinclaimant aan Malta
De zaak betreft een Sudanese vreemdeling die in Malta eerder internationale bescherming heeft aangevraagd en vervolgens in Nederland een asielaanvraag indiende. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen, omdat Malta verantwoordelijk is op grond van het Dublinverdrag. De rechtbank oordeelde echter dat Malta niet aan de minimumnormen voldoet vanwege slechte detentieomstandigheden, opvangvoorzieningen en gebrek aan effectieve rechtsmiddelen, en stelde Nederland verantwoordelijk.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de tekortkomingen in Malta niet structureel en niet zwaarwegend genoeg zijn om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook stelde hij dat Malta verbeteringen doorvoert en dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door Nederland verantwoordelijk te stellen.
De Raad van State oordeelde dat hoewel er tekortkomingen zijn, de staatssecretaris onvoldoende heeft aangetoond dat Malta zijn internationale verplichtingen nakomt. Wel is het aan de staatssecretaris om nader onderzoek te doen bij toekomstige overdrachten. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin Nederland verantwoordelijk werd gesteld en bevestigde de overige uitspraken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het oordeel dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en bevestigt dat Malta verantwoordelijk is, met een proceskostenvergoeding voor de vreemdeling.