ECLI:NL:RBDHA:2024:1254

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2024
Publicatiedatum
6 februari 2024
Zaaknummer
NL23.38013
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 EU-HandvestDublinverordeningArt. 11 UitvoeringsverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser betoogde dat de staatssecretaris ten onrechte uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije en dat er sprake is van fundamentele systeemfouten in Bulgarije, onder meer op het gebied van detentie en rechtsbijstand. Tevens stelde eiser dat zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder mishandeling en psychische problemen, een uitzondering rechtvaardigen om de asielaanvraag in Nederland te behandelen.

De staatssecretaris stelde dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en dat er geen aanwijzingen zijn voor een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Ook zijn er volgens de staatssecretaris geen bijzondere individuele omstandigheden die een onevenredige hardheid opleveren.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zich deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije kan worden toegepast, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn onvoldoende onderbouwd om af te wijken van de hoofdregel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wees het beroep af en liet het besluit van de staatssecretaris in stand, zonder toekenning van proceskostenvergoeding. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38013

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Akbalik),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 december 2023 waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met zaak NL23.38014, op 19 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
4.1.
De staatssecretaris heeft geen aanleiding gezien om van de overdracht van eiser aan Bulgarije af te zien. Er zijn namelijk volgens hem geen aanwijzingen dat eiser in Bulgarije een reëel risico zal lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ook zijn er geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser getuigt van een onevenredige hardheid, aldus de staatssecretaris.
Mag de staatssecretaris voor Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de staatssecretaris voor Bulgarije niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 16 augustus 2023 [2] - waarin zij oordeelde dat voor Bulgarije uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel - enkel de toegang tot opvang en pushbacks betrokken, maar niet de opvangomstandigheden, detentie en rechtsbijstand. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, die in haar uitspraak van 3 oktober 2023 van oordeel is dat voor Bulgarije voor onder andere detentie en rechtsbijstand sprake is van fundamentele systeemfouten. [3] Eiser wijst ter onderbouwing verder op diverse artikelen [4] en het rapport van Asylum Information Database (AIDA) van maart 2023. [5] Volgens eiser volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021 dat voor detentieomstandigheden een andere maatstaf geldt bij de beoordeling of sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. [6] Verder voert eiser aan dat van hem niet verlangd kan worden dat hij klaagt bij de Bulgaarse autoriteiten, omdat hij in Bulgarije is mishandeld door de politie, in vreemdelingenbewaring is gesteld en hij geen rechtsbijstand heeft gekregen. In Oost-Europese landen is volgens eiser sprake van een hele andere mentaliteit ten opzichte van vreemdelingen, waardoor klagen daar geen reële optie is. Ter onderbouwing van zijn verklaringen over de mishandeling door de politie wijst eiser op een artikel van Human Rights Watch. [7] Tot slot wijst eiser op de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 juni 2022 over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [8]
6. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij ten aanzien van Bulgarije uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris wijst terecht op de uitspraken van de Afdeling van onder meer 13 oktober 2023 [9] en 16 oktober 2023 [10] , waaruit volgt dat ook voor
Had de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich moeten trekken?
7. Eiser voert aan dat zijn broer in Nederland is toegelaten en dat hij bij zijn broer wil verblijven, die hem kan helpen met zijn problemen. Hij wijst op artikel 11 van Pro de Uitvoeringsverordening op grond waarvan de staatssecretaris hierover in contact dient te treden met de Bulgaarse autoriteiten. Volgens eiser zal door overdracht aan Bulgarije zijn gezondheidssituatie en psychische gesteldheid verslechteren.
8. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Eiser heeft niet met documenten onderbouwd wie zijn broer is, dat er een familieband is tussen hem en zijn broer en dat zijn broer rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Een verwijzing naar artikel 11 van Pro de Uitvoeringverordening kan dus ook niet slagen. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat sprake is van (psychische) problemen en dat deze problemen zouden verslechteren bij een overdracht.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C.M. Pijnenburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Uitspraak van 3 oktober 2023, NL23.20061 (niet gepubliceerd).
4.Lighthouse Reports, Europe’s Black Sites. Refugees arbitrarily detained, tortured at secret facilities in EU, 11 december 2023; Bordermonitoring Bulgaria, Number of Refugees in detention is increasing, 8 november 2021.
5.Rapport van Asylum Information Database (AIDA), Country Report Bulgaria, 2022 update, maart 2023.
6.Uitspraak van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2791.
7.HRW, 26 mei 2022, Bulgaria: Migrants Brutally Pushed Back at Turkish Border.
8.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.