ECLI:NL:RVS:2021:182

Raad van State

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
28 januari 2021
Zaaknummer
202004563/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • E. Steendijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 29 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep vreemdeling

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een vreemdelingenzaak. Tijdens de procedure trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De staatssecretaris had het besluit van 2 april 2020 ingetrokken en verklaarde dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zou worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn volgens de Dublinverordening was verstreken. De Afdeling overwoog dat het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag geen tegemoetkoming is, maar een gevolg van tijdsverloop.

Op grond hiervan wees de Afdeling het verzoek af en oordeelde dat de staatssecretaris niet gehouden is tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzitter N. Verheij en leden E. Steendijk en J.J. van Eck, in aanwezigheid van griffier T. van Goeverden-Clarenbeek.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het intrekken van het hoger beroep geen tegemoetkoming door de staatssecretaris inhoudt.

Uitspraak

202004563/1/V1.
Datum uitspraak: 27 januari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 augustus 2020 in zaak nr. NL20.8062.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.    Bij brief van 14 september 2020 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 2 april 2020 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) op 21 augustus 2020 is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084) en 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1855) kan aanleiding bestaan de staatsecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is geen tegemoetkoming, maar louter een gevolg van tijdsverloop.
3.    Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021
382-941.