Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
[naam kind 2],
[naam kind 3]en
[naam kind 4],
Rechtbank Den Haag
Verzoekers hadden beroep ingesteld tegen een Dublin-besluit van 21 september 2023, dat later door de minister werd ingetrokken op 13 februari 2024. Verzoekers trokken daarop hun beroep in en verzochten om vergoeding van de proceskosten.
De minister stelde dat de intrekking het gevolg was van het overschrijden van de overdrachtstermijn aan de autoriteiten van een ander land, waardoor geen sprake was van een tegemoetkoming aan verzoekers. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag een gevolg was van tijdsverloop en niet van een inhoudelijke wijziging.
Verzoekers voerden aan dat ook medische redenen een rol speelden, maar daarvoor was geen bewijs geleverd. De rechtbank concludeerde dat er geen reden was om de minister te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en wees het verzoek af als kennelijk ongegrond.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de intrekking van het Dublin-besluit het gevolg is van tijdsverloop en geen tegemoetkoming aan verzoekers.