ECLI:NL:RVS:2019:3954
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inreisverbod wegens onvoldoende motivering bij toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris wees op 7 april 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, legde hem een inreisverbod op en beval onmiddellijke vertrek uit Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de enkele toepassing van artikel 1(F) van het Verdrag van Genève niet automatisch rechtvaardigt dat een vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt die een inreisverbod rechtvaardigt. De staatssecretaris had onvoldoende gemotiveerd waarom het inreisverbod werd opgelegd zonder een beoordeling van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling en andere relevante omstandigheden zoals voorgeschreven door het Hof van Justitie in het arrest van 2 mei 2018.
Daarom vernietigde de Afdeling het besluit voor zover het de onmiddellijke vertrekopdracht en het inreisverbod betrof en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak benadrukt het belang van een individuele beoordeling bij het opleggen van zware maatregelen zoals een inreisverbod.
Uitkomst: Het besluit tot onmiddellijke vertrekopdracht en inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.