ECLI:NL:RVS:2019:3220
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid intrekking verblijfsvergunningen niet-tijdelijke humanitaire gronden
In deze zaak heeft de staatssecretaris bij besluit van 16 maart 2018 de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd van twee vreemdelingen en hun minderjarige kinderen ingetrokken, waaronder verblijfsvergunningen niet-tijdelijke humanitaire gronden. De intrekking was gebaseerd op de constatering dat het bedrijf waarvoor vreemdeling 1 werkte een schijnconstructie betrof, waardoor de vergunningen op onjuiste gronden waren verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond voor zover het de intrekking van de verblijfsvergunningen van de kinderen betrof, omdat de intrekking volgens de rechtbank in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de intrekking niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de verblijfsvergunningen zijn verleend op basis van onvolledige informatie en het de verantwoordelijkheid van de vreemdelingen was om alle relevante gegevens te verstrekken. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, aangezien geen concrete toezegging is gedaan.
Verder is geoordeeld dat de staatssecretaris een evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij rekening is gehouden met de leeftijd van de kinderen, hun worteling in Nederland en medische omstandigheden. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdelingen ongegrond en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de intrekking van de verblijfsvergunningen niet-tijdelijke humanitaire gronden betreft.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de intrekking van de verblijfsvergunningen niet-tijdelijke humanitaire gronden betreft.