ECLI:NL:RBDHA:2020:3287
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens frauduleuze verkrijging na intern IND-onderzoek
Eiser kreeg een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “niet tijdelijke humanitaire gronden” met ingang van 11 oktober 2016. Naar aanleiding van een intern onderzoek van de IND naar een medewerker die mogelijk frauduleus vergunningen verstrekte, werden 16 zaken onderzocht, waaronder die van eiser. Het onderzoek toonde onregelmatigheden zoals ontbrekende aanvraagstukken, onjuiste administratieve handelingen en onbetaalde of onjuiste leges.
Verweerder trok de vergunning met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod op. Eiser voerde aan dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel intrekking zou moeten verhinderen. De rechtbank oordeelde dat deze beginselen niet van toepassing zijn wanneer voldaan is aan de wettelijke intrekkingsgronden en dat eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen bewijs overlegde van een correcte aanvraag of betaling van leges en dat zijn verklaringen tijdens het confrontatiegehoor niet consistent waren. Er was geen expliciete of impliciete toezegging dat de vergunning niet zou worden ingetrokken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.