Uitspraak
Datum uitspraak: 25 juli 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, kreeg in 2010 een verblijfsdocument als familielid van een Duitse burger van de Unie. Na het overlijden van zijn partner in 2011 vroeg hij in 2015 een document aan voor duurzaam verblijf. De staatssecretaris stelde vast dat zijn rechtmatig verblijf eindigde per 22 december 2011, omdat hij niet had aangetoond dat hij daarna als zelfstandige werkte of over voldoende middelen beschikte.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak vast dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de zelfstandige activiteit van de vreemdeling en onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat hij geen beroep had gedaan op het socialebijstandsstelsel.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris bij de beoordeling van duurzaam verblijfsrecht een algehele beoordeling moet maken van de economische activiteit en de persoonlijke omstandigheden, waaronder het niet doen van een beroep op sociale bijstand. De normbedragen mogen niet leidend zijn zonder persoonlijke toets.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de staatssecretaris, en gelastte nieuwe besluiten waarbij de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld aanvullende stukken te overleggen over zijn levensonderhoud na 22 december 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van de staatssecretaris worden vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar zelfstandige arbeid en middelen van bestaan.