Uitspraak
Datum uitspraak: 25 juli 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De vreemdeling, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, ontving een verblijfsdocument als familielid van een EU-burger op basis van haar huwelijk met een Litouwse echtgenoot. Na ontbinding van het huwelijk in 2015 stelde de staatssecretaris vast dat haar verblijfsrecht was geëindigd omdat zij niet voldeed aan de vereisten van voldoende middelen van bestaan volgens artikel 8.15, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, waarbij werd meegewogen dat de vreemdeling geen beroep had gedaan op het socialebijstandsstelsel. In hoger beroep stelde de vreemdeling dat het niet doen van een beroep op sociale bijstand juist een indicatie is dat zij over voldoende middelen beschikte. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheid en onvoldoende had gemotiveerd waarom dit niet tot een ander oordeel leidde.
De Afdeling bestuursrechtspraak verduidelijkte dat het normbedrag voor economisch inactieven niet absoluut is en dat persoonlijke omstandigheden meegewogen moeten worden. De staatssecretaris moet de vreemdeling in de gelegenheid stellen om met bewijsstukken aan te tonen hoe zij in haar levensonderhoud voorzag na de ontbinding van het huwelijk. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit dat het verblijfsrecht is geëindigd wordt vernietigd.