ECLI:NL:RVS:2018:3585
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.G. Lubberdink
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging vereist bij vaststelling onrechtmatig verblijf van gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling, een Poolse gemeenschapsonderdaan, verbleef sinds maart of april 2016 in Nederland zonder beroep te doen op bijstand. De staatssecretaris stelde bij besluit van 3 november 2016 vast dat hij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had en legde een vertrekverplichting op.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Volgens de Verblijfsrichtlijn moet bij verwijderingsmaatregelen altijd een individuele belangenafweging plaatsvinden, ook als het verblijfsrecht nooit heeft bestaan.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen waarin de belangen van de vreemdeling worden afgewogen, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden zoals het niet doen van een beroep op bijstand.
Indien de belangenafweging negatief uitvalt, eindigt het verblijfsrecht van rechtswege; bij een positieve uitkomst kan de vreemdeling niet worden verwijderd en wordt hij geacht rechtmatig verblijf te hebben. De Afdeling legt tevens proceskostenveroordelingen op en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij haar kan worden ingesteld.
Uitkomst: De staatssecretaris moet een belangenafweging maken bij verwijderingsbesluiten, ook als verblijfsrecht nooit bestond, en het eerdere besluit wordt vernietigd.