ECLI:NL:RVS:2016:891
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechterlijke toetsing geloofwaardigheid asielrelaas na implementatie Procedurerichtlijn
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij oordeelde dat de staatssecretaris het asielrelaas onterecht ongeloofwaardig achtte. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is het eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas te geven.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht de reikwijdte van artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000, waarin artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. Uit de Europese rechtspraak volgt dat de bestuursrechter een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten, maar dit betekent niet dat hij het oordeel van de bestuursautoriteit over de geloofwaardigheid mag vervangen.
De Afdeling bevestigde dat het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel, waarin de bestuursrechter toetst op rechtmatigheid en motivering van het bestuursbesluit, verenigbaar is met het unierecht. De bestuursrechter mag onder omstandigheden zelf in een zaak voorzien, maar moet daarbij het standpunt van de staatssecretaris betrekken.
In deze zaak oordeelde de Afdeling dat de rechtbank terecht het besluit van de staatssecretaris vernietigde omdat diens oordeel over de geloofwaardigheid van het ontslag van de vreemdeling in Qatar onvoldoende gemotiveerd was. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.