ECLI:NL:RVS:2016:2726
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlenging verblijfsvergunning wegens boete werkgever
De staatssecretaris heeft op 11 februari 2015 de aanvraag van de vreemdeling om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, gebaseerd op een onherroepelijke boete die aan zijn werkgever was opgelegd wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, omdat de staatssecretaris niet deugdelijk had gemotiveerd waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid had uitgeoefend.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat hij gebonden was aan de arbeidsmarktadviezen van het UWV en geen ruimte had voor belangenafweging. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de staatssecretaris wel een discretionaire bevoegdheid heeft en dat een belangenafweging vereist is, mede gelet op de geschiedenis van artikel 9 van Pro de Wav en het Convenant Aziatische horeca. Tevens werd geoordeeld dat de arbeidsmarktadviezen onvoldoende rekening hielden met de belangen van de vreemdeling, zodat het besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee is bevestigd dat de staatssecretaris bij afwijzing van een aanvraag op grond van een boete aan de werkgever een zorgvuldige belangenafweging moet maken en dit moet motiveren.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wegens een boete aan de werkgever, waarbij een zorgvuldige belangenafweging vereist is.